Helaas, zoals bij veel rashonden, komen er bij de Tibetaanse Terrier ook erfelijke afwijkingen voor. Als fokker probeer je er alles aan te doen om het ras zo gezond mogelijk te houden. Maar ondanks verschillende controles op gezondheidsgebied kan je nooit zeggen dat het puppy dat op jonge leeftijd 100% gezond is ook gezond blijft en geen van deze afwijkingen krijgt.

De erfelijke afwijkingen die je bij de Tibetaanse Terrier tegenkomt zijn: Het wil niet zeggen dat je buiten deze geen andere afwijkingen in het ras tegenkomt. Hieronder volgt een korte omschrijving van de eerder genoemde erfelijke afwijkingen.
HEUP DYSPLASIE
Heupdysplasie betekent letterlijk "heupmisvorming" en wordt meestal aangeduid met de afkorting "HD". HD wordt veroorzaakt door een combinatie van erfelijke en uitwendige factoren. Maar uitwendige invloeden zoals groeisnelheid, lichaamsgewicht, beweging, spierontwikkeling en voeding spelen hierbij een belangrijke rol. De combinatie van erfelijke aanleg en de na de geboorte van de pup optredende uitwendige invloeden leidt tot een verkeerde ontwikkeling van de heupgewrichten en de uiteindelijke misvormingen. Door al deze verschillende uitwendige invloeden, kan de mate van misvorming van de heupen met een gelijke erfelijke aanleg sterk variëren. HD wordt gevonden bij grote en middelgrote honden, maar soms ook bij kleinere rassen. HD komt niet uitsluitend voor bij rashonden, ook bij kruisingen is het waargenomen.
PROGRESSIEVE RETINA ATROFIE (PRA)
Het netvlies (retina) is de binnenste laag van de oogbol . Dit vlies bestaat uit een groot aantal lichtgevoelige zenuwcellen die lichtprikkels kunnen omzetten in zenuwprikkels. Deze worden vervolgens via de oogzenuw naar de hersenen doorgestuurd om daar te worden vertaald in een visueel beeld. Er zijn twee soorten lichtgevoelige zenuwcellen:
- kegeltjes, deze liggen vooral centraal in het netvlies en dienen voornamelijk voor het zien van kleur.
- de meer aan de rand van het netvlies gelegen staafjes dienen voor het waarnemen van verschillende gradaties grijs.
Bij PRA treedt verval van het zintuigweefsel op. De omvangsafname (atrofie) van de retina (netvlies) is progressief, d.w.z: dat er steeds meer weefsel komt te vervallen totdat de hond geheel blind is.
Men onderscheidt bij PRA twee hoofdvormen. De centrale vorm (dagblindheid of tunnelblindheid) begint rond de plaats waar de gezichtszenuw het netvlies verlaat . In eerste instantie worden vooral de kegeltjes aangetast. De hond gaat in het begin van de aandoening overdag minder scherp zien. Het proces gaat verder en na het atrofiëren van de kegeltjes worden ook de staafjes aangetast. De centrale vorm van PRA vertoont waarschijnlijk een dominant patroon van overerving. De gegeneraliseerde vorm (nachtblindheid) begint aan de rand van het netvlies in zowel de staafjes als de kegeltjes en leidt uiteindelijk tot volledige blindheid. De overerving van deze vorm van PRA lijkt tot nu toe een enkelvoudig, recessief patroon te volgen.
|